PATER DAMIAAN
Pater Damiaan Afdrukken

damiaan_33_jaar.jpg

 

Jozef De Veuster werd geboren in Ninde-Tremelo op 3 januari 1840 als zevende kind in een gezin van acht. Zijn vader heette Jan Frans en zijn moeder heette Catharina Wauters. Begin 1859 trad hij in bij de congregatie van de Heilige Harten (picpussen) in Leuven, in hetzelfde klooster als zijn broer August. Hij nam er de kloosternaam Damiaan aan. Op 7 oktober 1860 legde hij in Issy (Frankrijk) zijn geloften af. Omdat zijn broer August wegens een zware ziekte niet kon vertrekken naar Hawaii ging Damiaan in zijn plaats.

Hij scheepte in Bremen in op 9 november 1863. Meer dan vier maanden later, op 19 maart 1864, bereikte de boot Honolulu, de hoofdstad van de Hawaii-archipel. Op 21 mei 1864 werd hij in de kathedraal van Honolulu tot priester gewijd en werd pastoor in Puna en later in Kohala.

In 1873 vroeg de bisschop een vrijwilliger voor Molokai, het eiland waar alle melaatsen van de archipel naartoe werden gebracht. Damiaan ging in op dit verzoek en kwam op 10 mei 1873 op Molokai toe. Na een aanvankelijke aarzeling uit angst voor besmetting nam hij de beslissing zijn lot aan dat van de melaatsen te verbinden en definitief bij hen te blijven. Als gevolg van die stap kregen de wanhopige lepralijders terug vertrouwen en gingen een gemeenschap vormen. Hij werd echter zelf melaats en stierf op 15 april 1889. Zijn dood schudde het wereldgeweten wakker.

Op 3 mei 1936 werd zijn stoffelijk overschot met het schoolschip 'Mercator' in Antwerpen aan land gebracht en bijgezet in de kerk van de paters picpussen in Leuven. Kort hierop werd het zaligverklaringproces geopend. Op 4 juni 1995 werd Damiaan door paus Johannes Paulus II in Brussel zalig verklaard.

De ROEPING

De knaap Jozef De Veuster was reeds op jeugdige leeftijd vertrouwd met het gegeven van mensen die naar het klooster gingen, die hun levenskeuze op een bijzondere wijze invulden. Al zal in aanvang het begrip kloosterzuster of pater eerder vaag, zelfs onduidelijk, zijn geweest; meer zo iets van weggaan uit de vertrouwdheid van de huiskring en dus ook een vorm van vervreemding.Als opgroeiende jongeman zal hij al duidelijker hebben beseft dat het om iets bijzonders ging, waardoor ‘nonnen’ en ‘paters’ het normale leven lieten voor wat het was en hun eigen weg gingen om hun leven te ‘wijden’ aan de dienst van God. Misschien heeft hij toen reeds ook wel eens gedacht in die richting. We kunnen dit vermoeden, maar niet concreet bewijzen. De kracht van het voorbeeld mag niet genegeerd worden: twee zussen waren kloosterlinge geworden; zijn enkele jaren oudere broer August was gaan leven bij de paters in Leuven…Wanneer vader De Veuster beslist dat de tijd gekomen was voor zijn jongste zoon om Frans te gaan leren in de kostschool van Braine-le-Comte, aanvaardt Jozef die beslissing zonder aarzelen, wellicht met blijdschap omwille van de verandering: eindelijk eens weg van de boerderij, een nieuwe ervaring.De retraite die Jozef De Veuster meemaakt tijdens zijn verblijf op het internaat, haalt zijn jonge leven grondig overhoop. Het thema van die retraite: ‘Wat baat het de mens de hele wereld te winnen als hij daarbij zijn ziel verliest?’ [Matt. 16:26], zet hem aan het denken: ‘Wat ga ik met mijn leven aanvangen?’ Natuurlijk denkt hij dan aan zijn twee zussen, aan zijn broer die een beslissende keuze hebben genomen. Hij beseft dan: ‘Dit is ook wat ik wil…’ De brief aan zijn ouders is duidelijk: Hij voelt zich geroepen, maar wil toch de toestemming krijgen van zijn ouders, al mogen die hem geen strobreed in de weg leggen, immers God zou hen lelijk straffen indien ze zouden weigeren hem zijn weg - die hij zag als de Wil van God - te laten volgen en daardoor zijn roeping te dwarsbomen.Maar Jozef was er nog niet helemaal uit: vreugdevol omhelsde hij het God-geroepen zijn,maar hoe die roeping in te vullen was niet helemaal helder. Nog helemaal vervuld van de retraite-ervaring vond hij een leven vol contemplatie met veel gebed, meditatie, ingetogenheid en een strakke discipline, nogal aantrekkelijk… maar werd dat, zover bekend, niet concreet opgevolgd. Ook zou Jozef De Veuster zich  gewend hebben tot de rector van het Amerikaans College te Leuven. Daar zou hij geweigerd zijn wegens een zekere boersheid - gebrek aan finesse - en onvoldoende basiskennis: geen klassieke humaniora-opleiding. Rev. Kevin Codd, huidig rector, kent dit verhaal, maar weet ook dat er in de archieven van het Amerikaans College daarover niets bewaard is gebleven.

Het is maar normaal dat Jozef de zaak heeft voorgelegd aan zijn broer August, die zich als frater Pamfiel voorbereidde om als priester, en wellicht als missionaris te worden uitgezonden. Pamfiel bezoeken in het Leuvense studiehuis van de Congregatie van de Heilige Harten was dus een voor de hand liggende mogelijkheid. Pamfiel kon zijn jongere broer overtuigen om te kiezen voor ‘zijn’ congregatie. De gebrekkige vooropleiding  was niet echt een bezwaar, maar sloot wel de mogelijkheid uit te kiezen voor een vorming die uitzicht gaf op de keuze voor het priesterschap. Weer is het geenszins duidelijk of Jozef De Veuster op dát ogenblik dacht aan priester worden. Wat hij wilde, was zijn leven wijden aan de dienst van God; indien dit was als broeder, dan was dat goed. Achteraf beweren dat Jozef De Veuster alle opties openhield is gemakkelijk, maar we weten het dus niet. Wat we wel weten is, dat Damiaans roeping doorheen concrete omstandigheden en levensfasen een ontwikkeling en groei heeft gekend die hem gemaakt hebben tot de Damiaan die wij vandaag bewonderen en vereren.

ZIJN GELOOF; DE INVLOED VAN DE ‘SS.CC.’-SPIRITUALITEIT

Jozef De Veuster is opgegroeid in een omgeving doordrenkt met christelijke waarden die tot uitdrukking kwamen in geloofspraktijken - kerkelijkheid - en volkse gebruiken en gezegden. Het devotionele aspect was zeer belangrijk omdat ze houvast gaven aan het geloof van eenvoudige mensen voor wie de doctrinaire begrippen en de bijbelse taal, meestal toch wel te hoog gegrepen waren. Daarom was hun geloof niet minder echt en zeker niet minder oprecht. Zoals in de meeste gezinnen bepaalde ook in het gezin De Veuster moeder wanneer er naar de kerk werd gegaan, welke feestdagen belangrijk waren, wanneer er werd gebeden, welke heiligen men vooral te vriend moest houden… het ritme van het leven werd bepaald door de gang van de seizoenen én door de kerkelijke kalender. Van moeder leerde Jozef dat luiheid het oorkussen van de duivel was, dat schunnige of ‘vuile’ praat niet paste, dat vloeken door de vingeren werd gezien bij een paardenknecht, maar bij een nette jongen niet hoorde, dat je niet alleen aan jezelf moest denken, en heel belangrijk: zonden moest je biechten… en om alles nog eens flink in de verf te zetten was er altijd het voorbeeld van zijn twee zusters religieuzen en later het voorbeeld van August die zo ijverig studeerde aan het Mechels internaat. Jozef De Veuster werd daardoor sterk beïnvloed, wat nog niet betekent dat hij steeds een heilig boontje is geweest. Wel groeide hij op als een gelovige, werkzame, degelijke brave jongen van het platteland: op school had hij de catechismus geleerd, later in de parochiekerk zijn eerste Communie gedaan, op zondag naar de mis gegaan,  thuis leren bidden voor en na de maaltijd, en daarna ’s avonds nog meer bidden in de huiskring, vooral ook bidden voor de zielen van overleden familieleden… in het vagevuur. Als er tegenslag was met vee, door ziekte van familieleden of buren, dan hoorde hij steeds weer dat onze echte toekomst niet op deze wereld maar elders lag… in de hemel. Als iemand stierf dan was dat de wil van God. Uit dit geloof hebben vele generaties kracht geput om als rechtvaardige, goede mensen door het leven te gaan; de sterkte om overeind te blijven bij grote tegenslag; de veerkracht om het leven te dragen zoals het hun gegeven werd; het waren mensen bekwaam om tevreden, zelfs gelukkig, te zijn met weinig. Hoe men ook naar Damiaan kijkt, dit ‘boerengeloof’ is hem altijd, in alle omstandigheden bijgebleven, hij is immers ook heel zijn leven, ik denk bewust, een boerenjongen gebleven.

Het religieuze leven binnentreden opende een nieuwe wereld. Voor de buitenstaander een wereldvreemde toestand. Jozef De Veuster voelde zich snel thuis in het klooster dat aan zijn zoekende ziel structuur gaf, veiligheid bood en vooral ook een stevige basis voor zijn geloofsleven. Een leven van gebed en werken, zonder materiële zorgen, sprak hem aan. Dat werd zijn wereld. Hij werd vertrouwd gemaakt met de ‘Imitatio Christi’, met de psalmen van het breviergebed en met de diepere inhoud van de evangeliën. De grote opdrachten voor ieder rechtgeaard volgeling van Jezus stonden kernachtig uitgedrukt in het ‘Onze Vader’, het gebed dat de Heer zelf had gebeden en dat als een blauwdruk van het gelovig engagement werd aangereikt. De erkenning van God als Vader, wiens Naam boven alles heilig werd genoemd. Het allerbelangrijkste was, naar het voorbeeld van Jezus, de Wil van de Vader te volbrengen om daardoor het ware einddoel te bereiken: de hemelse beloning. Alleen bereiken kon je dat niet; je moest in alle nederigheid bidden om hulp: ‘geef ons heden ons dagelijks brood’, voedsel voor ziel en lichaam. Zelfs als je fouten maakte was niet alles verloren want je mocht rekenen op de troostende en helende woorden ‘vergeef ons onze schuld’, wat je meteen ook aansprak om vergevingsgezind te zijn tegenover de medemens die je tekort had gedaan: ‘zoals ook wij vergeven aan hen die ons op een of ander wijze kwaad hebben gedaan’. Met je zwakheid mocht je voor God komen met de smeekbede: ‘leid ons niet in bekoring en verlos ons van het kwaad’. Het verkondigen van Gods eindeloze goedheid en barmhartigheid behoorde essentieel tot de spiritualiteit van de Congregatie van de Heilige Harten, zoals ook de opdracht zich in te zetten voor de groei, de komst van het Koninkrijk van God. Hoe kon men beter daaraan meewerken dan door het winnen van de zielen, door gedreven missionaire inzet? Had Jezus niet gezegd: ‘Ga uit over de hele wereld en verkondig het evangelie aan heel de schepping’? Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden, maar wie niet gelooft zal veroordeeld worden [Mc. 18: 15-16].De spiritualiteit van de Congregatie legde evenzeer de nadruk op de eerbied voor de Eucharistische tegenwoordigheid van de Heer in het H. Sacrament, onderlijnd door de nadruk op de aanbidding  en het eerherstel voor het kwaad bedreven in de wereld. Groot was dan ook de vreugde van Damiaan toen hij al vlug vooruitzicht kreeg op de mogelijkheid priester te worden. Maar wellicht heeft, in de groei van zijn spiritualiteit, niets grotere indruk gemaakt dan toen hij tijdens het uitspreken van zijn geloften onder het baarkleed lag, symbool van zijn afstand nemen van de ‘wereld’ en hij daarbij bevestigde dat hij in dienst van de Heilige Harten wilde leven en sterven. 

MISSIONARIS in de NEGENTIENDE EEUW

Het is niet duidelijk wanneer Damiaan er aan begon te denken ‘missionaris’ te worden. Zeker is wel dat Damiaan in het begin van zijn vormingsjaren er niet, althans niet expliciet, mee bezig was. Later, wanneer Damiaan weer eens probeerde om zijn broer Pamfiel naar Hawaii te halen schreef hij: “Waar blijf je toch, jij die me eertijds hebt verweten dat  ik niet genoeg missionaire ijver bezat…”Hoe die click, die ommekeer er is gekomen, weten we niet. Wel blijkt dat Damiaan op een zekere dag een grote devotie tot de grote missionaris, de heilige Franciscus Xaverius, begon te vertonen. Natuurlijk  heeft hij ook de verhalen gehoord over ss.cc.-missionarissen die werkzaam waren in de Stille Oceaan.  Bovendien begon broer Pamfiel, reeds dicht bij zijn priesterwijding, zich al in te leven in de idee dat hij misschien wel een opdracht zou krijgen om zich klaar te maken om naar de ‘missies’ af te reizen. Pamfiel werd priester gewijd en inderdaad aangewezen om samen met een viertal andere confraters naar Hawaii te vertrekken. Pamfiel werd ziek, Damiaan, nog student, schreef naar de Generale Overste om  toelating te vragen om in de plaats van zijn broer te mogen vertrekken. Zijn argument: “Er is al betaald voor de passage van Pamfiel, verspild geld tenzij ik zijn plaats mag innemen.” Damiaan kreeg de zo begeerde toestemming. Damiaan, altijd enigszins ongeduldig, zette er de vaart in. Snel naar Tremelo om afscheid te gaan nemen van zijn familie en via een omweg naar Scherpenheuvel, met een eerder abrupt afscheid van zijn moeder, wilde hij zo snel als maar kon beginnen met de voorbereiding op de grote reis naar het onbekende Hawaii. Dat hij  helemaal niet voorbereid was op de ontmoeting met een vreemde cultuur,dat zijn vorming nogal rudimentair was, dat hij alleen maar de kleine wijdingen had ontvangen, het leek hem niet te deren. Vol jeugdige overmoed wilde hij zich gaan inzetten voor het Koninkrijk van God; dat was toch de Wil van God, zijn bestemming.Zo vertrok Damiaan, helemaal overtuigd dat er buiten de katholieke kerk geen redding was, overtuigd van de meerwaarde die hij als ‘beschaafd’ Europeaan aan de wilden van het verre Polynesië te bieden had. Hij ging om zielen te redden; wat protestanten en heidenen voorstelden daarvan had hij op dat ogenblik geen duidelijk besef, alleen dat ze moesten gered worden… de klassieke instelling van de negentiende-eeuwse aspirant-missionaris. Damiaan is helemaal niet naar Hawaii gereisd om te gaan werken bij de melaatsen.Eens in Hawaii werd Damiaans opleiding op een drafje afgewerkt en daar was hij dan als vierentwintigjarige: priester van God, vervuld van grote vreugde, maar tevens beladen met de beangstigde grote verantwoordelijkheid die hem te dragen werd opgelegd… Zou hij die grote genade waardig zijn? Zonder veel plichtplegingen  belandde Damiaan op zijn eerste missiepost: het district Puna op het grote eiland Hawaii. Met zijn vlug bij elkaar gescharrelde kennis van het Hawaiiaans en vol enthousiasme, is Damiaan van start gegaan. Het was allemaal zo nieuw, het land zo indrukwekkend, het klimaat zo aangenaam, de mensen zo vriendelijk, de moeilijke tochten naar afgelegen nederzettingen een test van zijn fysieke kracht en uithoudingsvermogen. Damiaan boekte succes,  mensen lieten zich dopen. De Calvinisten waren er niet blij mee, de heidense kahunas - medicijnmannen - waren er evenmin mee opgezet. Nauwelijks was Damiaan een beetje thuis in zijn district toen bleek dat zijn confrater Clement Evrard het moeilijk had in zijn veel grotere district. Hij bood aan om Kohala-Hamakua over te nemen zodat pater Clement het wat makkelijker zou krijgen in Puna. Damiaan, met grenzeloze energie, begint dus opnieuw: mensen opzoeken, vertrouwen winnen, doopleerlingen catechismusles geven, rondreizen om her en der Eucharistie te vieren, vorming te geven, biecht te horen… gewoon missionaris zijn volgens het boekje.Damiaan een progressief missionaris noemen, heeft niets te maken met zijn geloofsbeleving, zijn liturgische praktijken,  zijn geloof in de werkdadigheid van de sacramenten. Damiaans progressiviteit, al is dat een zwaar beladen woord, heeft veel meer te maken met de realiteit van de missionering, met de omstandigheden die zich aandienden, soms met morele kwesties die om een oplossing vroegen en waarop hij, bij gebrek aan periti die hij kon raadplegen, een bevredigend antwoord diende te vinden.  Damiaan werd getest: hij die nooit alleen was geweest, die in de jaren van zijn vorming altijd beroep had kunnen doen op een biechtvader, op een vertrouwd raadsman, ondervond wat het betekende alleen te staan in een vreemd land. Hij moest de teleurstelling verwerken dat zijn bekeerlingen niet zo standvastig waren, het was niet prettig te zien hoe de Calvinisten over méér middelen konden beschikken om scholen op te richten… en die ook hun vijandigheid niet wegstopten.Naarmate de jaren vorderden kwam Damiaan terecht in een routinepatroon, zocht hij soelaas in het bouwen van kapellen én ook in het teruggrijpen naar bezigheden uit zijn jeugd in het zo verre Ninde: een tuintje aanleggen, aardappelen poten, wat paarden houden, schapen en kippen… alsof hij daarmee het schaarse nieuws van thuis kon aanvullen. Dan komt de confrontatie met de lepra: steeds meer mensen worden weggevoerd naar Kalawao; de verhalen over de toestand daar zijn vreselijk. Damiaan beseft dat hij te druk is met materiële beslommeringen. Hij moet meer gaan studeren, bidden, vooral meer de zieken gaan bezoeken. Damiaans initiatie in het missionaire bestaan was voltooid. Hij was klaar voor een nieuwe uitdaging.Uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de inzegening van de nieuwe kerk in Wailuku op het eiland Maui, vertrok Damiaan. Zoals hijzelf het beschreef vertrok hij met het besef dat hij niet naar zijn missie in Kohala zou terugkeren…Toen bisschop Maigret vrijwilligers vroeg om de zielzorg van de leprapatiënten in de Kalawao-nederzetting op zich te nemen, heeft Damiaan zich als één van de vier kandidaten aangeboden. De bisschop heeft Damiaan op 10 mei 1873 vergezeld naar Kalawao. Damiaan kreeg  de raad  de nodige afstandelijkheid tegenover de zieken in acht te nemen… en te wachten op de vervanger die zou komen als zijn beurt erop zat; drie maanden, dat moest te harden zijn. Al vlug besefte Damiaan dat hij met ‘afstandelijkheid’ niets bereikte, dat een voorlopige aanwezigheid niet de oplossing was. Damiaan, overtuigd dat Kalawao ‘zijn’ plaats, zijn missionaire opdracht was, vroeg aan de bisschop om er te mogen blijven. De Hawaiiaanse bladen hadden met groot enthousiasme gereageerd op het feit  ‘Damiaan’ die als de ware held van christelijke naastenliefde naar Kalawao was gegaan en bisschop Maigret kon haast niet meer anders dan Damiaan zijn zin geven.  Daar is hij de Damiaan geworden van “wij melaatsen”. Het is niet zo belangrijk te weten wanneer precies Damiaan begon met het gebruik van die aanspreektitel. Damiaans ware progressiviteit wordt gebald uitgedrukt door die uitdrukking die spreekt van totale inzet  voor en solidariteit met de uitgestoten en verkommerende melaatsen. Zijn leven en werk waren volledig gewijd aan zijn ‘parochianen’; of ze nu katholiek waren of niet, hij was bereid iedereen te helpen. Hulp bieden gebeurt niet alleen met vrome woorden, die woorden moeten bevestigd worden door een concrete houding tegenover de zieke medemens, niet van op afstand, maar door nabijheid, en bevestigd met materiële bijstand waar die vereist is en mogelijk. Damiaan beschouwde de melaatsen als mensen, niet als ‘gevallen’, veroordeeld omdat ze ziek waren. Hij streefde er naar om hen te bemoedigen, ze weer hoop te geven, hun levensomstandigheden te verbeteren, ontspanning te bezorgen, hen bij te staan in de moeilijke momenten… Bij dit alles bleef hij bovenal de priester die met grote overtuiging de troost van het geloof aanbood, de sacramenten toediende,  de kerkelijke diensten verzorgde en de grote feestdagen met veel luister vierde.Damiaans werk op Kalawao lijkt zo op een groot succesverhaal, maar dat is het echt niet altijd geweest. Damiaan heeft beslist zijn deel van de ellende over zich heen gekregen. Conflicten met de bewindslieden in Honolulu, met zijn religieuze overheid, met sommige confraters, met de groep van de geïnterneerden die de uitgestoken hand bleef weigeren. Toch waren succes, wereldwijd verspreid in de, vooral buitenlandse, pers en een toenemende liefdadigheid ook zijn deel; alhoewel daaraan ook schaduwzijden verbonden waren: afgunst, verdachtmakingen, beschuldigingen. Wanneer Damiaan precies door de melaatsheid werd besmet is niet helemaal te achterhalen. Wel ontstond er reeds vroeg na zijn komst in Kalawao een soort hetze, gevoed door berichten dat Damiaan en Burgerman melaats waren; berichten die door sommige confraters ijverig werden gemeld aan de Generale Overste. Voor Damiaan uiteraard niet zo’n prettige ervaring, hoewel hij er natuurlijk wel van bewust was dat het risico van besmetting zeer reëel was.Hoe Damiaan overeind kon blijven temidden van zoveel aftakeling en dood, van de uitzichtloosheid en van al het leed dat hij niet kon verhelpen, mag een wonder genoemd worden. Maar zijn geloof hield hem staande, zijn vertrouwen in troostvolle nabijheid van de Heer, altijd aanwezig in het Allerheiligste sacrament was de krachtbron die hem voedde, hem bevrijdde van zijn gewetensnood in die lange perioden zonder biecht, als het besef dat hij er alleen voor stond hem drukte.Dan komt  het officiële verdict (1884) ‘Damiaan is melaats’. Waarschijnlijk heeft Damiaan al een tijd daarvoor gemerkt dat er wat mis was… wanneer precies weet geen mens. Maar met de vaststelling van besmetting krijgt Damiaan ongewild het statuut van ‘de’ strijder die het ongelijke gevecht met die vreselijke en niet te helen, ziekte heeft aangevat. Veel sympathie en veel materiële hulp worden hem aangereikt, maar ook de afgunst om al die aandacht die naar hem toegaat… en erger nog de verdoken en niet zo verdoken beschuldigingen van ongeoorloofd seksueel verkeer. Vooral omdat men  toen nog de opvatting aanhing dat de besmetting met lepra werd overgedragen door seksuele omgang. Damiaan werd daardoor diep gekwetst. Tegen geruchten bestaat geen verdediging. Geruchten gaan een eigen leven lijden. Zelfs wanneer Damiaan met de dood voor de ogen nog maar eens bevestigt ‘dat hij nooit seksuele betrekkingen heeft gehad met vrouwen of mannen…’, dan volstaat zelfs dit niet om de geruchten tot zwijgen te brengen; ze duiken steeds weer op, ook vandaag nog.Er wordt ook wel beweerd dat Damiaan de melaatsheid bewust heeft gezocht. Damiaan heeft het gevaar niet geschuwd, maar dit betekent nog helemaal niet  dat hij het doelbewust heeft gezocht. Wel is duidelijk dat hij de ziekte heeft aanvaard vanuit zijn verrijzenisgeloof: “De goddelijke Voorzienigheid heeft me enige tijd geleden uitgekozen tot slachtoffer van deze vreselijke ziekte. Ik hoop God eeuwig dankbaar te blijven voor deze gunst. Het lijkt me dat deze kwaal mijn tocht naar het hemelse vaderland, zal verkorten en vergemakkelijken” [Brief 9 november 1887]. Dat is wat Damiaan schrijft, drie jaar ná het definitieve verdict [1884]. Hij heeft tijd gekregen om zich te verzoenen met de harde feitelijkheid, zijn gelovige ingesteldheid heeft hem geholpen tot aanvaarding te komen. Damiaan had zo graag gezien dat zijn melaatsen zouden genezen, weg zouden kunnen van Kalawao en terugkeren tot hun familie en vrienden… En Damiaan heeft telkens weer hoop gehad als hij vernam dat een of ander middel genezing beloofde. Hij heeft er verschillende geprobeerd, ook op zichzelf. Maar vooral bleef hij doen wat hij altijd al had gedaan: priester zijn voor zijn mensen, helpen waar het kon, zijn kerk herstellen als ze weer eens beschadigd werd door de storm, voor de weeskinderen zorgen… voor Damiaan zo gewoon, zo normaal allemaal. Helemaal “wij melaatsen”.Tot zijn lichaam opgebruikt was en hij het bed moest houden. Dan is hij gestorven, verzoend met het einde, met al wie hem iets in de weg hadden gelegd, ook de confraters. Hij is gelukkig weggegaan want hij had geleefd zoals hij had beloofd:  “te leven en te sterven in dienst van de Heilige Harten”.

CONFLICT met zijn RELIGIEUZE OVERHEID

Damiaan is door confraters die hem gekend hebben, zoals Gulstan Ropert en Albert Montiton, [Holy Man p. 230], na zijn dood beschreven als ‘een goede man’, wat nog niet noodzakelijk betekent dat hij een ‘gemakkelijk’ man is geweest. Damiaan was zeker niet vrij van stugheid, vasthoudend aan zijn inzicht, iemand die zich vastbeet in zijn taak. Hij was ook ongeduldig, gejaagd zelfs, zoals blijkt uit de beschrijving van Gulstan Ropert: “Bij Damiaan moet het altijd in volle galop gebeuren”. Omstandigheden hebben van Damiaan, zoals van zoveel missionarissen die in vergelijkbare omstandigheden leefden, iemand gemaakt die vertrouwde op zijn zelfredzaamheid. Damiaan stond er vaak letterlijk alleen voor en had geleerd zijn plan te trekken. Dan gaat er wel wat verloren van de soepelheid die nodig is om met anderen samen te werken. Dat die samenwerking met onder andere Andre Burgerman en Albert Montiton geen groot succes is geworden, lag niet alleen bij Damiaan maar werd mede veroorzaakt door de instelling van deze confraters die zelf ook niet vrij waren van moeilijke trekjes.  Damiaans isolatie op het schiereiland Moloka’i, heeft zeker een belangrijke invloed gehad op de visie van Damiaan, een visie die zich leek te verengen tot ‘zijn’ parochie. Zijn parochie was hét werkterrein, de problemen die er zich voordeden, waren dé problemen… daarom werd op een redelijke manier redeneren soms wel erg bemoeilijkt.Tenslotte, Damiaans parochie was niet eens bijzonder groot. Aangenomen dat er gemiddeld tussen de 900 a 1000 ingezetenen woonden, dan waren die niet allemaal katholiek, zelfs niet allemaal christen. Damiaans parochianen zijn in de beste periode met niet méér dan, ruw geschat, 600 geweest. Een kleine parochie dus.Aan de andere zijde, die van de overheid, was de situatie ook al niet echt simpel. Eerst en vooral: religieuze overheden komen en gaan. De eerste periode was de periode van Mgr. Louis Maigret en missieoverste (of provinciaal) Modest Favens, samen vormden ze een goed team. Louis Maigret had vele jaren in de missie gewerkt en was vertrouwd met het missionarisleven in het ‘veld’.  Als apostolisch vicaris en missiebisschop hield hij er aan zijn priesters regelmatig te bezoeken, zelfs in de meest afgelegen missieposten. Bisschop Maigret had Damiaan tot priester gewijd en was ook wel gecharmeerd door deze onstuimige jonge man en was steeds bereid hem de nodige ruimte te laten en indien nodig hem de hand boven het hoofd te houden; zeker in de periode dat Damiaan en Andre Burgerman samen waren op Moloka'i. Zolang ze maar gezond bleven en hun werk deden, zag Mgr. Maigret geen reden tot klagen. Alhoewel hij niet altijd begreep waarom Damiaan soms eigengereide beslissingen nam welke indruisten tegen de gegeven instructies omtrent bij voorbeeld het gebruik van door de missie geleverde materialen bestemd voor een bepaald doel. Naarmate Mgr. Maigret vorderde in jaren, kreeg hij meer gezondheidsproblemen. Hij ontwikkelde autocratische trekjes en verbleef steeds meer in Honolulu. Er ontstond gemor in de rangen van de paters die de bisschop een gebrek aan beleid verweten en Modest Favens beschuldigden van slaafse volgzaamheid. Pater Hermann Köckemann schreef daarover een brief aan pater Generaal, aandringend op verandering. Intussen was ook Léonor Fouesnel in Honolulu gearriveerd. Een nieuw team was klaar om aan te treden. Bisschop Hermann is nooit veldwerker geweest; hij was een goed administrator, muzikaal en een geliefd koorleider; zijn werk in de parochie van Onze Lieve Vrouw Koningin van Vrede werd zeer gewaardeerd. Léonor Fouesnel, die missieoverste / provinciaal werd, was een flamboyant persoon, genoot van het goede leven en wist ook alle attentie die aan hem werd besteed te waarderen. Fouesnel heeft een tijdlang op Maui gewerkt en was de pastoor die verantwoordelijk was voor de bouw van de nieuwe kerk in Wailuku. Later is hij er ook in geslaagd de zusters Franciscanessen van Syracuse naar Hawaii te halen. Hij had ook zijn verdiensten. Pater Léonor Fouesnel kon het met Damiaan niet goed vinden. Waarschijnlijk was het gevoel ook wel wederzijds. Het nieuwe tweemanschap kwam aan het hoofd van de missie te staan, juist in de periode dat Damiaans populariteit hoge toppen scheerde; de hele wereld leek alleen maar oog te hebben voor Damiaan en het kleine schiereiland Kalaupapa. Daardoor ontstond er wrevel. Eerst en vooral: alle aandacht die Damiaan kreeg, ging hen voorbij; de hele missie bleef verweesd achter alsof ze niet functioneerde, niet bestond. Damiaan met zijn niet aflatend ‘gebedel’, vragen om hulp, om een regelmatig biechtvader… was knap irritant, alsof hij en hij alleen belangrijk was, alsof  ‘zijn’ melaatsen belangrijker waren dan  de rest van Polynesië. Was de missie alleen nog Damiaan, Damiaan, en nog méér Damiaan… ? Deden de andere confraters niets? Moesten zij van de magere middelen die missie ter beschikking stonden, ook niet hun deel krijgen? Daarover zijn dus bitsige woorden gesproken én geschreven. Daar is niet omheen te draaien. Vooral Léonor kreeg het wel vinnig neergeschreven.  In deze context is de komst van Lambert Conrardy zeker relevant. De Missieoverheid, in het bijzonder Mgr. Hermann Köckemann en pater Léonor Fouesnel, zaten erg verveeld met de mogelijkheid dat een vreemde, een Belg en dus landgenoot van Damiaan, zou inbreken in wat zij beschouwden als exclusief hun turf. Ze zagen het als een blamage aan de missie wanneer ze voor de wereld moesten toegeven dat er niemand in eigen rangen werd bereid gevonden om de doodzieke pater Damiaan ter hulp te komen. Met alle mogelijke middelen hebben ze geprobeerd de komst van Conrardy te verhinderen. Met tegenzin hebben ze uiteindelijk toch de bittere pil geslikt en heeft er in die beslissing toch een zeker gevoel van medeleven gespeeld. Immers, al wilden ze het nog niet toegeven, Damiaans einde naderde en ze konden het niet maken hem die kleine troost niet te gunnen. Zes jaar na de dood hebben ze alsnog het middel gevonden om priester Conrardy uit Kalawao te doen vertrekken. Op 1895 kwam Damiaans broer Pamfiel naar Hawaii om Damiaans werk over te nemen en was Conrardy volledig overbodig gewordenDit alles is echter niet het grote drama van Moloka’i. Het is veeleer de kleine geschiedenis van mensen, die door omstandigheden samen worden geworpen en die mekaar ‘mogen’ of mekaar ‘niet mogen’. Die er met alle goede bedoelingen en religieuze inspiratie toch soms niet in slagen om op een gewone redelijke wijze samen te werken; die er soms, helaas, niet in slagen gewoon beleefd te blijven. Dan kwetsen mensen mekaar, spreken onvriendelijke woorden, slagen er niet meer in mekaar te begrijpen. Ook religieuze gemeenschappen zijn niet immuun voor het kleinmenselijke. Het is verleidelijk om het uit te vergroten en dan krijgen we aan de ene kant kwaadaardige monsters, aan de andere zijde de dappere, zij het ook wat zielige, underdog. Dan gaat de gewone nuchtere waarheid de mist in. Men vergeet gemakkelijk dat diezelfde mensen dank zij hun religieuze inspiratie er toch in lukken mekaar vergiffenis te schenken. Van Damiaan weten we dat hij niet haatdragend was. Naar we weten heeft Damiaan niets onvriendelijk meer gezegd over Andre Burgerman. Pater Andre heeft na de dood van Damiaan geen goed woord over hem gesproken, maar evenmin een kwaad; hij heeft er gewoon niet meer over gepraat. Niettegenstaande hij in de hitte van de strijd ermee gedreigd had uit te treden, heeft hij dat nooit gedaan en is hij braaf in de congregatie gebleven en in Honolulu, in het missiehuis van de congregatie, overleden op 3 september 1907. In 1889 heeft Damiaan in vrede met zijn congregatie en met zijn confraters afscheid genomen.

DAMIAAN voorbeeld van INTEGRATIE

Pater Damiaan heeft in zijn contacten met de inheemse bevolking van Hawaii op ingrijpende wijze grenzen verlegd. Alhoewel hij toch altijd paternalistische trekjes bleef behouden, heeft hij van in het begin van zijn missionaire activiteit gestreefd naar openheid, toegankelijkheid en nabijheid ten opzichte van de inheemse bevolking van Hawaii. Hij leerde hun taal steeds beter spreken, toonde geen afkeer van het voedsel dat zij hem aanboden en aanvaardde het aanbod om in hun schamele hutten te overnachten. Hij kon vrolijk meedoen wanneer ze weer een eens groot feest opzetten, bij voorbeeld ter gelegenheid van de inzegening van een nieuw kerkje. Wat de Kanaken vooral charmeerde was zijn bereidheid de handen uit de mouwen te steken, en vuil te maken als moest gewerkt worden. Zij hebben die vreemdeling gezien als een man zonder kapsones, vrij van hautaine afstandelijkheid. Dat waren ze niet gewoon. De haole’s, de blanken met wie ze in contact kwamen, deden alsof ze het land bezaten.  Immers alle belangrijke functies werden uitgeoefend door blanken, alle handelaars waren vreemdelingen en meestal blanken. Hawaiianen waren toen reeds in grote mate tweederangs burgers in eigen land. De vreemde missionarissen, katholiek en protestant, wisten zich gesteund door het machtige en groeiende blanke establishment. Voor hen waren de inheemsen minderwaardig, niet overgevoelig voor de zogenaamde Westerse waarden als het verwerven van eigendommen, het  beoordelen van mensen volgens hun nut en bruikbaarheid,  de honger naar geldelijk voordeel…Damiaan probeerde hun noden en  klachten te begrijpen en hulp te bieden waar het kon, en hij had aandacht voor hun zieke mensen. Eenmaal op Moloka’i, bleef Damiaan zichzelf en leerde hij op spontane wijze zich meer en dieper in te leven in het lot van de bannelingen. Waar hij vroeger vrij radicaal onderscheid maakte tussen katholieken en calvinisten, heeft in de leprozerie het besef dat ze allen lotgenoten waren, dit radicalisme afgezwakt en naar een niet bedreigende achtergrond doen verdwijnen. Het gevoel te worden aanvaard door de patiënten, drukt Damiaan met een gevoel van vreugde uit waar hij schrijft dat ze hem allemaal ‘Makua’ noemen, ‘vader’, en de meeste, zelfs de hardnekkige ketters en ongelovigen aanvaarden zijn hulp. Misschien hebben sommigen zich wel afgevraagd: ‘Wat komt die dwaze blanke doen in dit hellegat?’. De verbondenheid met de zieken in eigen familie was wel zeer hecht, maar zich  uitsloven  voor zo’n massa waarmee hij niet eens was verbonden door afkomst en ras, moet ongetwijfeld vragen hebben opgeroepen. Maar anderzijds heeft het Damiaans boodschap van hoop en vertrouwen in een liefdevolle en barmhartige God krachtig ondersteund. Damiaan werd immers melaats met de melaatsen, de meeste radicale vorm van nivellering die men zich kan voorstellen. Met andere woorden, Damiaan is de weg van de integratie gegaan tot het uiterste. Het doet nu helemaal niet meer ter zake of hij die laatste stap gewild of ongewild heeft gezet. Hij heeft de uiterste consequentie aanvaard en omarmd. De melaatse Damiaan was meer dan ooit de woordvoerder en pleitbezorger van zijn melaatse medemens, hij was en bleef solidair: ‘Wij melaatsen’. Wat een complete chaos was toen hij in 1873 in Kalawao aankwam, is door zijn levenskracht, zowel geestelijk als fysiek, geleidelijk aan omgevormd tot een redelijk functionerende gemeenschap. Er bleven problemen waarop zelfs Damiaan geen greep kreeg, de ziekte bleef ongeneeslijk, het menselijk leed werd niet verbannen. Damiaan is gewoon zo ver gegaan als een mens gaan kan. Dat in gegeven omstandigheden alleen al, was een groot wonder.Onvermijdelijk moeten we toch de vraag stellen in hoeverre de Kanaken Damiaan gevolgd zijn in het proces van de integratie. Een eenvoudig antwoord op deze vraag is er niet. Er is natuurlijk wel de opvatting dat onderdrukte volkeren, overwonnen door militaire of economische macht, zich uit een soort  overlevingsstrategie tegenover de ‘overwinnaars’ of machthebbers en hun vertegenwoordigers op een bepaalde manier gaan gedragen. Het kan omschreven worden als  een spel van aanpassing: sprekend tegen iemand die de sterkere partij vertegenwoordigt vertelt men datgene waarvan dat men denkt: “Dat is wat die vertegenwoordiger graag wil horen”. De Kanaak werd  in het algemeen door de blanken al niet beschouwd als een volwaardig gesprekspartner. Bovendien gaf het overheidspersonen, en de blanken in het algemeen, bewust als ze waren van de techniek van het ‘naar de mond praten’, de Hawaiianen het cachet van onbetrouwbaarheid. Natuurlijk was Damiaan gevleid wanneer ze hem Makua noemden, toch is het waarschijnlijk dat een aantal van hen het gewoon deden omdat  Damiaan invloed kon uitoefenen bij de Gezondheidsraad en vaak ook concrete hulp kon aanreiken. Damiaan zal zich uiteraard ook wel bewust zijn geweest van het fenomeen dat in de missiologie bekend staat als ‘rijstchristenen’.Een tekenend voorbeeld van hoe dit alles een rol speelt daar waar men het niet verwacht, blijkt uit de manier waarop het eerste voorlopige onderzoek in voorbereiding op een mogelijk proces van zaligverklaring van pater Damiaan werd gevoerd: geen enkele Kanaak werd ondervraagd door Wendellin Möllers en Cornelius Limburg die belast waren met dit onderzoek; zelfs niet de alom geachte en gerespecteerde assistent superintendant Ambrose Hutchison - een man van gemengd bloed - werd niet gehoord. Hij en de Kanaakse patiënten telden gewoon niet mee, toen niet en ook later niet. Ambrose Hutchison stierf in  1932. In hoeverre de Hawaiianen Damiaans integratieijver positief hebben beantwoord is niet helemaal meer te achterhalen. Wat  voor hen pleit is dat zij gedwongen waren de rol van underdog in te vullen; de hond die het moet roeien met de kruimels die vallen van de rijke tafels van de heren… blanken allemaal: de  leden van de Gezondheidsraad, de dokters, de superintendant, de rechters, de politieofficieren, de handelaars, de priesters en de predikanten… integratie misschien, meestal niet echt van harte.

DAMIAAN en LEPRA

In 1873 ontdekte de Noor A. Hansen de leprabacil. Toen  Damiaan stierf in 1889 was de wetenschap nog niet echt veel verder. De meningen omtrent de overdraagbaarheid van de besmetting door seksuele relaties bleven verdeeld. Toch was het duidelijk dat door Damiaans leven en vooral door zijn sterven als melaatse het probleem van de lepra wereldwijde aandacht heeft gekregen. In Londen was het Edward Clifford die zijn landgenoten opriep om actie te ondernemen om de gigantische plaag van de lepra in het Brits Imperium, vooral dan in het Indisch subcontinent, aan te pakken. Maar nog tijdens de fundraising werd de naam ‘Father Damien  Memorial Fund’ geschrapt en werd het ‘National Leprosy Fund’. De prins van Wales leek daarvoor een verklaring te willen geven tijdens een toespraak in januari 1890: “Het probleem van de lepra in het algemeen, werd door de aandacht die werd geschonken aan het toegewijd leven en de heldhaftige dood van Pater Damiaan, enigszins in de schaduw gesteld. Het geval [Damiaan] is op zich al ernstig genoeg, zonder het erger te doen lijken dan het is. Het is spijtig dat het lot van de Martelaar van Moloka’i gebruikt werd om dit grotelijks te overdrijven op een wijze waarvan hijzelf de eerste zou zijn geweest om er zich van te distantiëren.” Tijdens een andere gelegenheid maakt de prins duidelijk: “dat het niet in de bedoeling lag dat de lepralijders naar Engeland zouden komen om er zich te laten verzorgen” [Gavan Daws, Holy Man. Father Damien of Molokai; pp. 222]. Toen het duidelijk werd dat de kans op besmetting door lepra eerder gering was en dat, hoewel het lepra probleem in India verschrikkelijk was, het toch niet moest beschouwd worden als een bedreiging voor het Imperium - Groot-Brittannië liep geen direct gevaar - verdween de opwinding die er was ontstaan na Damiaans dood haast helemaal, en het  National Leprosy Fund werd gewoon opgedoekt [Gavan Daws, Holy Man; p. 223].Tijdens Wereldoorlog I (1914-1918) en de daaropvolgende jaren van wederopbouw, was de wereld in verwarring en teveel op zichzelf gericht om aandacht te schenken aan een probleem dat zich in een ander deel van de wereld afspeelde. Daarmee verdween het probleem niet en moest er vroeg of laat een oplossing komen.Het mag vreemd klinken, maar onderhuids bleef Damiaans voorbeeld mensen inspireren. Een man als Damiaan bleef aandacht krijgen. In het Belgisch Staatsblad van 2.12.1939 stond het Koninklijk Besluit omtrent de oprichting van FOPERDA (Fondation Père Damien pour la lutte contre la lèpre). Toch heeft het in feite geduurd tot na Wereldoorlog II dat her en der organisaties werden opgericht, enkele met de naam van Damiaan, de meesten zonder die naam maar wel geïnspireerd  door  Damiaans inzet voor de verschopte medemens, vooral ook door de wijze waarop hij het taboe rond de ‘de onaanraakbaren’ heeft doorbroken. Zo kennen we de Damiaanactie, de Nederlandse Lepra Stichting, de Duitse Aussätzigenhilfe en vele anderen die zich uiteindelijk hebben aaneengesloten tot een grote Internationale vereniging , de ILEP.

Met het vinden van ziekteremmende en later genezende middelen werd enorme vooruitgang geboekt. Talloze vrijwilligers zetten zich nog steeds in tegen deze ziekte, in gebieden waar de kwaal endemisch is.  De strijd is nog lang niet helemaal gewonnen.

Paul  Macken, ss.cc.